De Noorse verering van de natuur is een belangrijk onderdeel van de nationale identiteit van het land. Meer dan de helft van de bevolking kan beschikken over een berghut, de scholen organiseren jaarlijks verplichte skidagen en op de meeste ansichtkaarten die door de toeristenindustrie worden geproduceerd zijn afbeeldingen van de natuur, in plaats van culturele attracties te zien.
De meeste Noren wonen in eengezinswoningen en grote appartementen, uitgerust met alle denkbare elektrische apparaten. Desondanks wordt veel waarde gehecht aan een eenvoudige levensstijl, dicht bij de natuur. Een opvallend feit is dat de bekendste filosoof van Noorwegen en grondlegger van de diepte-ecologie, Arne Næss, zijn tijd voornamelijk doorbrengt in zijn rustieke, in geografisch opzicht geïsoleerde berghut ergens tussen Oslo en Bergen. En hij is bij lange na niet de enige. Duizenden Noren brengen weekenden en vakanties door in hun eigen berghut, die in het ideale geval verscholen ligt in de wildernis en omgeven wordt door het ongerepte Noorse berglandschap.
Een typische Noorse berghut is gebouwd van boomstammen en bestaat uit een woonkamer, een of meerdere slaapkamers, een buitentoilet, een houtschuur en een keukentje. Hout is de belangrijkste brandstof, hoewel ook kerosine – ternauwernood – is toegestaan. Olielampen en kaarslicht zorgen voor licht in de donkere winteravonden. Deze eenvoud komt niet voort uit spaarzaamheid. Integendeel, een berghut op een aantrekkelijke locatie is een kostbare investering, hoe eenvoudig de inrichting ook is. Het ontbreken van modern comfort is veeleer op ideologische en morele dan op economische argumenten gebaseerd (we moeten hier echter aan toevoegen dat vele Noren een vakantiehuisje aan de kust hebben, gewoonlijk in een gebied met een gunstig klimaat. Hiervoor gelden totaal andere regels: in plaats van een eenvoudig hutje gaat het vaak om een comfortabel tweede huis).
Bergsport en wandelen zijn manieren om er eens helemaal uit te zijn, zoals de Noren zeggen; je laat de beschaving met alle bijbehorende comfort en verdorvenheid achter je om weer in contact te komen met je eigen innerlijk en je een authentiek mens te voelen. Wandelen kun je doen op een doordeweekse dag na het werk, maar gewoonlijk is het een activiteit voor het weekend. Een gebruikelijke maatstaf om het succes van een wandeling te meten, is het aantal mensen dat je onderweg tegenkomt. Hoe minder mensen, des te geslaagder de tocht.
De verering van de natuur in Noorwegen heeft vele facetten. Het is een officiële cultus met een politiek aspect: ongerepte natuur is een nationaal symbool. Het is een privé-aangelegenheid, die te maken heeft met gezinsrituelen, zoals het leven in een berghut. Maar het heeft ook persoonlijke en individuele facetten en op dat terrein heeft de diepe eerbied voor de natuur een duidelijk religieus tintje. De staatsgodsdienst in Noorwegen is het Lutherse geloof, maar ook de verering voor de natuur is sterk geworteld. In plaats van deze cultus als heidens te verwerpen, heeft de Lutherse kerk hem omarmd – zo staat bij veel christelijke boeken die in Noorwegen worden uitgegeven een afbeelding uit de Noorse natuur op de omslag. Verder wordt de openlucht door de geestelijken van de staatskerk vaak aanbevolen als een prima plaats voor religieuze meditatie en reflectie. Op die manier vermijdt het christendom, dat in principe een scherpe scheiding aanbrengt tussen cultuur en natuur (de natuur is slecht, de mens is van nature zondig) een directe confrontatie met de heersende Noorse ideologie dat cultuur en natuur twee zijden van dezelfde medaille zijn.