Confirmation. 
Foto: Petter Foss /MFA Norway.Confirmation. Foto: Petter Foss /MFA Norway

De Noorse staatskerk

Laatst bijgewerkt: 30-10-2009 //

De Noorse Kerk is een protestantse staatskerk met de koning van Noorwegen aan het hoofd en het Storting als hoogste wetgevend lichaam. De koninklijke familie is verplicht het Evangelisch-Lutherse geloof te praktiseren.

In de praktijk is de Koning in Vergadering verantwoordelijk voor het algehele toezicht van de regering op de kerk. Het Ministerie van Cultuur en Kerkelijke Zaken is de bestuurlijke verantwoordelijkheid toegekend, terwijl het Storting (het Noorse parlement) belast is met het aannemen van aan de kerk gerelateerde wetgeving en begrotingen. Bisschoppen en dekens worden altijd benoemd door de regering. Het hoogste kerkelijk lichaam is de generale synode.

Noorwegen was tot de Reformatie rooms-katholiek, toen het protestantisme middels koninklijk besluit uit 1537 werd aanvaard en de Noorse Kerk werd gegrondvest. In de 18e eeuw kwam de Noorse kerk onder invloed van het piëtisme, een individueel georiënteerde Lutherse opwekkingsbeweging uit Duitsland, die de nadruk legde op het verband tussen geloof en handelen. De piëtisten deden een actieve poging het christelijk geloof en ethica te incorporeren in het leven van elk afzonderlijk individu, bijvoorbeeld door het introduceren van de confirmatieceremonie (1736) en het confirmatieonderwijs (1739). Gedurende deze periode legden Noorse piëtisten grote belangstelling aan de dag voor missionaire activiteiten, met name op Groenland en in de Sámi-regio’s van Noord-Noorwegen.

Lutherse orthodoxie heerste soeverein vanaf het begin van de 17e eeuw en gedurende lange tijd was er geen andere religie dan de Noorse Kerk toegestaan. In de 19e eeuw ging er een religieuze revival door Noorwegen, toen lekenpriesters – niet-gewijde evangelisten zonder kerkelijke opleiding – uit de Bijbel gingen preken zonder de goedkeuring van officiële religieuze kringen. In 1842 werd een verbod op het houden van lekenpreken opgeheven. De piëtisten kregen nog steviger voet aan de grond door de evangelische revival van de 19e eeuw en spraken zich uit in een protest tegen wat zij zagen als de halfslachtige religiositeit van gewijde geestelijken. Zodoende raakte de Noorse Kerk, in tegenstelling tot de Deense en de Zweedse Kerken, gedurende deze periode in hoge mate verbonden met het piëtisme en een krachtige lekenbeweging.

De idealen van de lekenbeweging en diens conservatieve interpretatie van het christendom kreeg geleidelijk aan invloed op de Noorse geestelijkheid. Noorse christelijke kringen in de 20e eeuw werden gekenmerkt door spanningen tussen liberale en conservatieve kampen, vooral ten aanzien van hun verschil in opvatting inzake historisch onderzoek van de bijbel. Sinds de jaren 80 is er echter een grotere diversiteit ontstaan betreffende kerkgerelateerde en theologische opvattingen.

Het legaliseren van het houden van lekenpreken plaveide tevens de weg naar een brede verscheidenheid aan christelijke vrije kerken. De grootste daarvan is de pinksterbeweging. Andere grotere vrije kerken zijn bijvoorbeeld de Evangelisch-Lutherse Vrije Kerk in Noorwegen en de Noorse Baptistenunie. De rooms-katholieke kerk, opnieuw opgericht in Noorwegen in de jaren 50 van de negentiende eeuw, bloeit en heeft een groeiend aantal volgelingen.


Bron: Bewerking van de Noorse encyclopedie van Aschehoug en Gyldendal   |   Delen op netwerk   |   print