Noren uiten hun religiositeit voornamelijk in de privé-sfeer. Terwijl de meeste mensen beweren dat religie belangrijk voor hen is, blijkt dit in zijn algemeenheid niet uit een actieve religieuze bijdrage aan georganiseerde gemeenschappen. Terwijl ruwweg 88% van de bevolking tot de Noorse Kerk behoort, bezoekt slechts 10% meer dan een keer per maand kerkdiensten of andere aan het christendom gerelateerde bijeenkomsten.
Zo’n 5,9% van de bevolking is lid van een andere religieuze gemeenschap, terwijl 6,2% tot geen enkele religieuze gemeenschap behoort. De grootste religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen naast de Noorse Kerk zijn de Humanistische Beweging, vertegenwoordigd door het Noorse Humanistisch Verbond (63.000), de Islam (60.000), de Pinksterbeweging (45.000), de Rooms-katholieke kerk (40.000 of meer), de Evangelisch-Lutherse Vrije Kerk (20.000), Methodisten (13.000) en diverse kleinere vrije kerken.
De bekering van Noorwegen tot het christendom begon rond het jaar 1000. Deze kwam voort uit contacten met het christelijke Europa middels een combinatie van handelsrelaties en invallen door vikingen. Ook dankzij missionarisactiviteiten van de Angelsaksische Kerk alsmede vanuit Duitsland en Denemarken verdrong het christendom de goden van de traditionele Scandinavische mythologie en de natuurgodsdienst van de Sámi.
Het christelijke Noorwegen behoorde tot de Reformatie van 1537 tot de Rooms-katholieke kerk. In 1842 werd een verbod op het houden van lekenpreken opgeheven, wat de aanzet gaf tot het ontstaan van diverse vrijkerkelijke bewegingen en een sterke lekenorganisatie binnen de Noorse Kerk. Ten gevolge daarvan raakte de Noorse kerkelijke samenleving nauw verbonden met een conservatieve christelijke interpretatie en een actieve missionarisbeweging.