De Middeleeuwen

Het jaar 1130 was een keerpunt in de Noorse geschiedenis. Een periode van vrede werd verstoord door conflicten en een burgeroorlog, die duurde tot 1227.

Maar 1130 was ook om andere redenen een speciaal jaar. Het wordt beschouwd als het begin van de Hoge Middeleeuwen, een periode van bevolkingsgroei, consolidatie binnen de kerk en de opkomst en ontwikkeling van steden. Terwijl de vorstelijke en kerkelijke macht district na district onder hun heerschappij brachten, gingen het publieke bestuur en de overheid een steeds grotere rol spelen. Volgens moderne historici kan Noorwegen pas in deze periode worden aangeduid als één samenhangend rijk.

De macht van de monarchie nam in de twaalfde en dertiende eeuw toe en resulteerde in een overwinning op zowel de kerk als de leenheren. De traditionele wereldlijke aristocratie werd vervangen door een dienende aristocratie. De status van de boeren veranderde in deze periode van eigenaar naar pachter. Boeren in Noorwegen pachtten hun land echter vaak voor de rest van hun leven, en genoten zodoende een vrije status die in de rest van Europa in die tijd niet veel voorkwam. Ook de slavernij uit de vikingentijd verdween in de Hoge Middeleeuwen.

In deze periode verschoof het politieke zwaartepunt in Noorwegen van het zuidwesten naar de districten rond de Oslo Fjord. Tijdens de heerschappij van koning Haakon V in de dertiende eeuw werd Oslo de hoofdstad van Noorwegen. Vóór die tijd was het een onbelangrijk groepje huizen helemaal aan het begin van de Oslo Fjord. Toen de pest in 1350 Noorwegen bereikte, telde het stadje naar verluidt niet meer dan 2.000 inwoners. Bergen had in die tijd een inwonersaantal van 7.000 en Trondheim 3.000.

De staatsinkomsten in de Hoge Middeleeuwen waren naar Europese maatstaven uiterst bescheiden. Tegen het einde van deze periode waren ze nauwelijks voldoende om het administratieve apparaat van de Kroon en de staat uit te breiden. De pest had verschrikkelijk huisgehouden en de bevolking teruggebracht tot de helft of mogelijk zelfs eenderde van het niveau van vóór 1350. De koning en de adel waren hierdoor genoodzaakt inkomsten te halen uit grondbezit en feodale landgoederen, ongeacht de landsgrenzen, en leverden zo een bijdrage aan het ontstaan van de politieke unies in de Scandinavische landen.

Van 1319 tot 1343 hadden Noorwegen en Zweden een gezamenlijke monarchie, een instituut dat later werd uitgebreid door gearrangeerde, inter-Scandinavische koninklijke huwelijken. Haakon VI (1340-1380), zoon van de Zweedse koning Magnus Eriksson en Ingebjørg, de dochter van Haakon V, was de wettige troonopvolger in Noorwegen. Hij trouwde met Margrete, de dochter van de Deense koning Valdemar Atterdag. Hun zoon, Olav, werd na de dood van Valdemar in 1375 gekozen tot Deense koning. Na de dood van zijn vader in 1380 was Olav ook de troonopvolger in Noorwegen, waardoor Noorwegen een unie vormde met Denemarken die tot 1814 duurde.

De komst van het christendom
De komst van het christendom naar Noorwegen nam een lange periode in beslag, mogelijk tweehonderd jaar. Het was het logische gevolg van het contact van de Noren met het christelijke Europa via handelsbetrekkingen en vikingtochten. Zendelingen van de kerken van Engeland, Duitsland en Denemarken hielpen het traditionele geloof in de Scandinavische goden verzwakken. Deze ontwikkeling bereikte een hoogtepunt met de drie zendingskoningen Haakon de Goede, Olaf Trygvasson en Olaf Haraldsson (Olaf de Dappere). Door zijn martelaarsdood bij de slag van Stiklestad in 1030 kreeg laatstgenoemde koning de heiligenstatus. Uiteindelijk was de eindoverwinning voor de kerk.
Uit de wetgeving die werd toegepast, de liederen die werden gezongen en de gedenktekens die werden opgericht, valt op te maken dat het christendom vanaf het midden van de elfde eeuw stevig verankerd was in Noorwegen. Vlak voor het jaar 1100 verschenen de eerste bisdommen, waaronder het aartsbisdom van Nidaros, later Trondheim, waar vanaf 1152 de aartsbisschop gezeteld was. De Noorse aartsbisschop speelde ook een politieke rol. In 1537 werd door middel van een koninklijk besluit de reformatie in Noorwegen afgedwongen. Op dat moment stond het land onder Deense heerschappij, en de reformatie werd eenvoudigweg opgelegd door de Deens-Noorse kerkelijke verordening ook in Noorwegen toe te passen. Vanaf de vroege zeventiende eeuw was het Lutherse geloof de enige geloofsovertuiging in Noorwegen.


Bron: Door Tor Dagre   |   Delen op netwerk   |   print