De neutraliteitsverklaring van Noorwegen had weinig betekenis. Op 9 april 1940 vielen Duitse troepen Noorwegen aan. Na een hevige strijd van twee maanden, en ondanks militaire steun uit Groot-Brittannië en Frankrijk, kon Noorwegen niet anders dan zich overgeven. De koninklijke familie, de regering, een aantal hoge functionarissen van het ministerie van Defensie en het burgerbestuur vertrokken naar Groot-Brittannië, samen met de geallieerden die zich terugtrokken. Tijdens de oorlog opereerde de Noorse regering in ballingschap.
Het belangrijkste hulpmiddel dat Noorwegen de geallieerden kon bieden, was de Noorse handelsvloot. Deze bestond uit meer dan 1.000 schepen, tezamen goed voor meer dan 4 miljoen brutoton. In Groot-Brittannië werden de militaire eenheden binnen alle Noorse krijgsmachtonderdelen weer opgebouwd. Deze namen deel aan de marinemanoeuvres in de Atlantische Oceaan, aan de strijd die volgde op de invasie van het Europese continent in 1944 en aan de luchtstrijd boven Groot-Brittannië en het Europese continent. Tegen het einde van de oorlog mocht Noorwegen militaire eenheden vestigen in Zweden. Sommige van deze eenheden namen deel aan de acties tegen de Duitse vijand. Dit gebeurde nadat een legeronderdeel van de Sovjet-Unie een klein deel van Noordoost-Finnmark, in het verre noorden van Noorwegen, had aangevallen en bevrijd. In het bezette Noorwegen nam het verzet onder de burgerbevolking elk jaar toe. Er werden ook geheime strijdkrachten opgezet, die door de Duitsers als een bedreiging werden beschouwd.
Noorwegen bleef bezet tot aan de capitulatie van Duitsland in 1945. Toen de capitulatie een feit was, waren er niet minder dan 400.000 Duitse troepen in Noorwegen, dat op dat moment nauwelijks vier miljoen inwoners telde. De Duitsers hadden tijdens de bezetting geprofiteerd van de Noorse economie en een schrikbewind gevoerd met executies en massavernietiging, hoewel op minder grote schaal dan in vele andere bezette landen.
Bevrijding
Al op 8 mei 1945 begonnen Noorse verzetstroepen posities van de nazi’s over te nemen. Geleidelijk aan kregen ze versterking van geallieerde en Noorse troepen uit Groot-Brittannië en Zweden. De overgang van de bezettingsmacht naar de geallieerde macht verliep soepel. De regering in ballingschap keerde terug uit Groot-Brittannië en op 7 juni voer koning Haakon aan boord van een Brits marineschip de haven van Oslo binnen.
Noren die de Duitse concentratiekampen hadden overleefd, keerden terug naar huis. Aan het einde van de oorlog zaten 92.000 Noren in het buitenland, waarvan 46.000 in Zweden. Naast de Duitse bezetters telde Noorwegen 141.000 mensen met een buitenlandse nationaliteit, de meesten krijgsgevangenen. 84.000 van hen waren Russisch.
Gedurende de oorlog hadden de Duitsers 40 procent van het Noorse bruto nationaal product in beslag genomen. Daarbij kwamen de vernielingen door de oorlog zelf. In Finnmark waren deze aanzienlijk. Grote gebieden waren verwoest als gevolg van de "tactiek van de verschroeide aarde" die de Duitsers tijdens hun terugtocht toepasten. Andere steden en dorpen waren verwoest door bombardementen of brandstichting.
In totaal verloren 10.262 Noren tijdens de oorlog of in gevangenschap het leven. Ongeveer 40.000 werden gevangengenomen.