De unie met Zweden

In de jaren direct na 1814 moest de nieuwe natie herhaaldelijk vechten voor haar bestaan. Noorwegen werd getroffen door de zwaarste economische depressie die het ooit had meegemaakt. De gemeenschappelijke markt met Denemarken verdween en de Britse markt werd gesloten voor Noors timmerhout. Mijnen en houtzagerijen verloren hun buitenlandse klandizie. Veel van de rijke burgers uit de middenklasse in Zuidoost-Noorwegen gingen failliet. De crisis was ernstig en duurde lang.

Vanaf de jaren dertig in de negentiende eeuw maakte Noorwegen een periode van economische groei door, waardoor de behoefte aan vrijere handels- en invoerregels ontstond. De handelsrechten werden uitgebreid en de invoertarieven werden meer gebaseerd op het vrijhandelsprincipe. Ook op andere gebieden begon Noorwegen deel te nemen aan de algemene ontwikkelingen in Europa. In 1854 werd de eerste spoorlijn aangelegd tussen Oslo en Eidsvoll. Telegraaflijnen werden aangelegd. Binnen de landbouw werden nieuwe beheersmethoden geïntroduceerd.

De basis voor de moderne industrie in Noorwegen werd gelegd in de jaren veertig van de negentiende eeuw met de komst van de eerste textielfabrieken en machinewerkplaatsen. Tussen 1850 en 1880 nam de Noorse handelsvloot aanzienlijk in omvang toe.

De economische ontwikkeling werd gevolgd door een verhevigde klassenstrijd. De roep om democratische hervormingen werd steeds luider.

In het Storting (de Noorse volksvertegenwoordiging) ontstond geleidelijk aan een strijd tussen de vertegenwoordigers van de hogere functionarissen, die zich bezighielden met het bestuur, en de afgevaardigden van de boeren en de radicalen. De boeren waren al in 1833 in de meerderheid. De eerste poging om een partij op te zetten in 1859 was geen succes, maar tien jaar later werd het eerste liberale blok gevormd. De eerste politieke partij van Noorwegen, de radicale Liberale Partij, werd in 1884 opgericht en haar politieke tegenhanger, de Conservatieve Partij, een paar maanden daarna.

De rancune ten opzichte van de Zweedse monarchie kwam binnen de unie al snel naar voren, niet in de laatste plaats omdat het buitenlandbeleid in zijn geheel vanuit Stockholm werd geleid. Al in 1827 diende het Storting een verzoek in bij de koning om de Noorse premier een rol te laten spelen in diplomatieke kwesties. Andere voorstellen, zoals een speciale Noorse handelsvlag, werden ingediend om de gelijkwaardigheid van Noorwegen binnen de unie te bevorderen.

De grootste strijd tegen de Zweedse monarchie betrof echter de introductie van het parlementarisme, het constitutionele principe dat een regering de steun moet hebben van de volksvertegenwoordiging om aan de macht te kunnen blijven. Als voorwaarde hiervoor diende het Storting in 1874, 1879 en 1880 amendementen in bij de grondwet, waarmee ministers toegang zouden krijgen tot de zittingen van het Storting. De koning weigerde keer op keer het voorstel te goed te keuren.

Hierdoor ontstond de vraag of voor grondwettelijke amendementen wel de goedkeuring van zowel de koning als het Storting was vereist. De regering en de conservatieve afgevaardigden waren van mening dat dit wel het geval was. De liberalen waren echter vastberaden de zaak op de spits te drijven door middel van een aanklagingsprocedure. Na een verkiezingscampagne in 1882 keerden de liberalen met 82 afgevaardigden tegen 32 conservatieven in het Storting terug. De regering van premier Selmer werd aangeklaagd en in 1884 veroordeeld tot een gedeeltelijk ambtsverlies, in de eerste plaats op grond van het advies aan de koning de grondwettelijke amendementen af te keuren. Na een periode met een conservatieve interim-regering zag de koning geen andere mogelijkheid dan de liberale leider, Johan Sverdrup, te vragen premier te worden. Het parlementarisme had eindelijk zijn ingang gevonden in Noorwegen.

Tegen het einde van de negentiende eeuw liepen de conflicten binnen de unie hoog op. Zweden eiste dat de minister van Buitenlandse Zaken van de unie Zweeds zou zijn en Noorwegen eiste zijn eigen consulaten, wat zorgde voor een bittere tweestrijd. Zweedse troepen voorkwamen dat Noorwegen zijn zin kreeg. Noorwegen besteedde vervolgens de laatste jaren van de eeuw aan de opbouw van zijn krijgsmacht.

Uiteindelijk leidde de consulatenkwestie tot het laatste conflict tussen de twee landen. Op 11 maart 1905 werd de regering van premier Michelsen geformeerd om als eenzijdige Noorse actie de eis met betrekking tot de consulaten door te drukken. Op 7 juni droeg de regering haar macht over aan het Storting. Laatstgenoemde vroeg de regering echter tijdelijk door te gaan, conform de grondwet en de huidige wet "met de aanpassingen die noodzakelijk zijn gezien het feit dat de koning niet langer koning van Noorwegen is, waardoor een einde is gekomen aan de unie tussen Noorwegen en Zweden onder één koning".

Zweden eiste onderhandelingen over de voorwaarden voor ontbinding van de unie en een referendum om te onderzoeken of het hele volk achter deze actie stond. Bij het referendum, dat plaatsvond in augustus 1905, stemden maar liefst 368.392 Noren vóór en slechts 184 tegen beëindiging van de unie.

In augustus en september werd in Karlstad verder onderhandeld met Zweden. Deze onderhandelingen werden met succes afgerond en resulteerden in een overeenkomst voor een vreedzame ontbinding van de unie.


Bron: Door Tor Dagre   |   Delen op netwerk   |   print