Na de bevrijding was men het er algemeen over eens dat de heropbouw van Noorwegen de hoogste prioriteit moest krijgen. In de verkiezingen van 1945 behaalde de Arbeiderspartij een meerderheid en vormde een regering onder leiding van Einar Gerhardsen.
jaar opbouwen en het industrialisatieproces versnellen door de aandacht te vestigen op de zware industrie. De ontwikkelingen verliepen zelfs sneller dan de politici gepland hadden. In 1946 waren de cijfers van zowel de industriële productie als het bruto nationaal product hoger dan in 1938. In 1948-49 was het nettokapitaal gestegen tot ruim boven het niveau van voor de oorlog. De jaren daarop werden gekenmerkt door een gestage groei en ontwikkeling.
In de jaren direct na de tweede wereldoorlog hield Noorwegen vast aan een neutraal buitenlandbeleid. Men wilde zich verre houden van potentiële conflicten tussen de grootmachten en blokvormingen. Gehoopt werd dat de Verenigde Naties, onder leiding van de eerste secretaris-generaal, de Noor Trygve Lie, voor voldoende veiligheid zou zorgen.
Met het geleidelijk toenemen van de spanningen tussen oost en west, moesten de Noren zich opnieuw bezinnen op hun buitenlandbeleid. Noorwegen speelde een rol in de samenwerking rond het Marshallplan en ontving van 1948 tot 1951 voor NOK 2,5 miljard aan Marshallhulp.
De communistische machtsovername in Tsjecho-Slowakije in 1948 en het voorstel van de Sovjet-Unie een niet-aanvalsverdrag te sluiten overeenkomstig zijn pact met Finland, brachten een sterke reactie in Noorwegen teweeg. Na een tussenperiode, waarin een poging tot het vormen van een Scandinavisch militair bondgenootschap mislukte, werd Noorwegen, samen met Denemarken, in 1949 lid van de NAVO. Sindsdien is uit opeenvolgende opiniepeilingen gebleken dat een overgrote meerderheid van de Noren achter het NAVO-lidmaatschap staat.
De naoorlogse jaren worden gekenmerkt door een gestage vooruitgang van de Noorse economie. Er is veel geld geïnvesteerd in de opbouw van de verzorgingsstaat, wat geleid heeft tot een egalitaire samenleving.
De jaren zestig luidden het olietijdperk in. Proefboringen in de Noordzee brachten grote aardoliereserves aan het licht, die leidden tot een omvangrijke olie- en gasproductie. Later werden ook vondsten in de Noorse zee en de Barentszzee gedaan. De grootste productie vindt momenteel plaats in de Noorse zee, voor de kust van Midden-Noorwegen.