Eind jaren 1870 werd München een aantal jaren de basis van een groep jonge Noorse kunstenaars, die een belangrijke bijdrage als realisten zouden gaan leveren. Tot deze groep behoorden Hans Heyerdahl (1857-1913), Kitty L. Kielland (1843-1924), Harriet Backer (1845-1932), Erik Werenskiold (1855-1938), Christian Skredsvig (1854-1924), Theodor Kittelsen (1857-1914) en Gerhard Munthe (1849-1929). In de jaren 1880 verhuisden deze kunstenaars naar Parijs, dat het nieuwe centrum voor de Noorse schilders werd. Hier sloten twee andere belangrijke figuren zich bij hen aan: Christian Krogh (1852-1925) en Fritz Thaulow (1847-1906), die beide in de jaren 1870 bij Gude in Karlsruhe hadden gestudeerd. Een andere belangrijke realistische schilder, Eilif Peterssen (1852-1928), reisde in eerste instantie niet naar Parijs, maar naar Italië om te studeren.
Een aantal van deze kunstenaars verhuisde later terug naar Noorwegen, waar ze in 1882 de Høstutstillingen (‘de Herfsttentoonstelling’) creëerden, een verzameling hedendaagse Noorse kunst, die vanaf 1884 met overheidsmiddelen wordt ondersteund en vandaag de dag de status van nationale kunsttentoonstelling heeft verworven. Tegelijkertijd richtten ze een nieuw systeem op, waarbij de kunstenaars zelf hun kunst verkochten, bepaalden wat er op tentoonstellingen moest worden getoond en zelfs selecties maakten voor openbare kunstcommissies .Onder de groep kunstenaars die naar huis terugkeerde, waren diverse bekende persoonlijkheden die zich sterk afzetten tegen de normen en waarden van hun voorgangers. Hoewel ze het eens waren over thema's zoals traditie, waren deze jonge kunstenaars opmerkelijk verschillend als het ging om houding en temperament. Bovendien was er sprake van een conflict tussen twee groepen. De ene groep, onder aanvoering van Christian Krohg, was erg radicaal, individualistisch en internationalistisch, terwijl de andere groep, met Erik Werenskiold in de voorhoede, meer nationalistisch en liberaal was in de politieke zin van het woord, maar ook enigszins moralistisch en streng principieel.
Werenskiold schilderde eenvoudige, maar karakteristieke situaties, die werden geplaatst in een grondig bestudeerde landschappelijke omgeving. Naast Werenskiold opereerde neonationalist Theodor Kittelsen die, hoewel hij altijd een beter tekenaar dan schilder was, een belangrijke bijdrage leverde aan het nationalisme door zijn illustraties voor de standaard uitgave van Norske Folkeeventyr (Noorse volkssprookjes). Andere volgelingen van Werenskiold waren Christian Skredsvig, die echter meer geneigd was de literaire en symbolische boventoon van zijn onderwerpen te benadrukken en Eilif Peterssen, wiens ambitieuze stijl van historische schilderkunst vage verwijzingen naar het voorbeeld van de oude meesters bevatte. Kitty L. Kielland, een van de weinige consequente landschapsschilders van deze periode, werkte voornamelijk en plain air in Jæren aan de westkust van Noorwegen. Gerhard Munthe, eveneens een nationalist, onderhield nauwe contacten met de avonturier en wetenschapper Fridjof Nansen en samen richtten zij de Lysakerkretsen (Lysakerkring) op, ter bevordering van de Noorse nationalistische waarden.
In Christian Krogh, de leider van de Oslose bohémiens, die geloofde dat schrijven even belangrijk was als schilderen en beweerde dat 'alle nationale kunst slecht en alle goede kunst nationaal was’ vond de kring een geduchte tegenstander. Hij hield vol dat de artistieke aandacht zich moet richten op het leven zoals dat door de individuele mens geleefd en ervaren werd. Fritz Thaulow, daarentegen, wilde dat kunst zich gewoon op kunst richtte en argumenteerde dat meer kunstenaars hun energie zouden moeten steken in het feitelijke schilderproces, in plaats van te proberen om sociale of menselijke problemen op te lossen. Intussen was Harriet Backer lichtelijk vervreemd van het debat; zij concentreerde zich meer op het schilderen van taferelen binnenshuis, echter op een iets abstractere manier dan de vroege nationalistische schilders.
Krogh was de voorloper van wellicht de bekendste Noorse kunstenaar, Edvard Munch (1863-1944). Munch had niet veel kunstonderwijs genoten en in Krogh vond hij iemand die de functie van leermeester nog het dichtst benaderde. Hoewel hij in de jaren 1880 begon te schilderen onder invloed van het realisme, liet hij deze methode al spoedig achter zich en richtte zich op de concrete realiteit. Munch wilde schilderen wat hij als het essentiële van de mens beschouwde. Hij zei: 'Ik wil levende mensen schilderen, die ademen, voelen, lijden en liefhebben’. Nieuwe trends uit Europa, waaronder laat-impressionisme, fauvisme, art nouveau en Jugendstil werden radicaal door Munch overgenomen, echter steeds met zijn eigen interpretatie van vormen, lijnen en kleuren. Hij reisde veel door heel Europa, wat hem inspireerde tot een internationale stijl van simplistische landschappen en abstracte lijnen, een eenvoudig kleurenspel en sterke contrasten van licht en donker. Tijdgenoten van Munch waren Arne Kavli (1878-1970) en Thorvald Erichsen (1868-1939) en verder Halfdan Egedius (1877-1899), Harald Sohlberg (1869-1935) en Nikolai Astrup (1880-1928), die de tendensen van de jaren 1890 verenigden door de ambiance van realisme te ontwikkelen tot een meer abstracte expressie.