Aksel Waldemar Johannessen: Break of Spring (1918-20), Oil on canvas 100x120 cmAksel Waldemar Johannessen: Break of Spring (1918-20), Oil on canvas 100x120 cm

De 20e eeuw

Aan het begin van de 20e eeuw was de Noorse schilderkunst nauw verbonden met die van Frankrijk, een samenhang die tot de jaren 1960 zou voortduren. Dit was duidelijk zichtbaar in het werk van Thorvald Erichsen, wiens lichte, kleurige en intense schilderijen waarschijnlijk werden beïnvloed door Bonnard en die het grootst denkbare contrast met het Noorse realisme vormden.

Een andere belangrijke schilder, Ludvig Karsten (1876-1926), was bij kunstcritici bekend als een late impressionist, die duidelijk beïnvloed werd door de Fransen, maar ook sterk geïnspireerd werd door het werk van Munch. In 1909 studeerde een aantal Noorse schilders bij Henri Matisse. De meest prominente van hen waren Henrik Sørensen (1882-1962), die zijn leermeester op een zeer individuele manier interpreteerde en aan de andere kant Jean Heiberg (1884-1976), die een meer academische stijl trachtte te ontwikkelen. De jonge studenten van Matisse vertegenwoordigden een voortzetting van de nationalistische campagne van Werenskiold en vormden een sterk contrast met oudere studenten van Matisse, zoals Karsten, die in de traditie van Christian Krohg werkte. Dit aspect van de scheiding der geesten werd duidelijk zichtbaar tijdens de grote tentoonstelling van 1914, die in Oslo georganiseerd werd om het eeuwfeest van de nationale onafhankelijkheid te vieren. Niemand minder dan Christian Krogh was verantwoordelijk voor het selecteren van de schilderijen, wat voor een groep voornamelijk Matisse-studenten reden was om te breken met de officiële organisatie en hun eigen tentoonstelling onder de titel 'Het paviljoen van de 14' in te richten.

Het eerste abstracte Noorse doek was van de hand van Thorvald Hellsen (1888-1937), die tijdens de Eerste Wereldoorlog een decoratieve, abstracte stijl had ontwikkeld onder invloed van Fernand Legér. Andere studenten van Legér in de jaren 1920 waren onder andere Charlotte Wankel (1888-1969), Ragnhild Kaarbø (1889-1949) en Ragnhild Keyser (1889-1943). Enkele andere schilders die rond het begin van de 20e eeuw hun naam vestigden, waren Axel Revold (1887-1962), Per Krogh (1889-1965), Alf Rolfsen (1895-1979) en Aksel Waldemar Johannesen (1880-1922), een humanist die het leven van arbeiders en drop-outs schilderde. Johannesens werk kreeg pas na zijn dood erkenning en hij wordt vaak 'de vergeten kunstenaar' genoemd.

De meeste schilders van zijn generatie maakten na een intensieve studie in Parijs een verandering van instelling door. Schilderen, puur en alleen omwille van de kunst gaf hen niet langer voldoening en ze ontwikkelden een diep gevoel van onbehagen ten aanzien van iedere vorm van oppervlakkigheid in de kunst en de rest van het leven.
Verder voelden ze, net als hun voorgangers, een verantwoordelijkheid ten aanzien van de samenleving. Als gevolg daarvan was er een hernieuwde belangstelling voor de techniek van grootschalige muurschilderingen, die voortkwam uit de overtuiging dat schilderen een taak had in de maatschappij. De beste manier om daaraan invulling te geven was het versieren van openbare gebouwen en ruimten. Binnen twee decennia werd een verbazingwekkend aantal kerken, scholen en andere openbare gebouwen verfraaid of opnieuw gedecoreerd, de meeste daarvan al fresco. Voorbeelden zijn de fresco's in de Beurs van Bergen (1918-1923), van de hand van Axel Revold de muurschilderingen van Per Krogh in de Zeevaartschool van Oslo (1921-1924) en de decoratie van het Nieuwe crematorium in Oslo (1932-1937) door Alf Rolfsen. Ook voor het Raadhuis van Oslo waren muurschilderingen gepland, maar Rolfsen voltooide deze opdracht pas na de Tweede Wereldoorlog.

Het surrealisme werd onder de Noorse schilders geïntroduceerd door Vilhelm Bjerke-Petersen en vanaf 1935 werden de surrealistische kunstenaars steeds actiever. Olav Strømme (1909-1978) en Alexander Schultz (1901-1981) gaven een symbolische interpretatie van de flora, seksualiteit, dromen en het onderbewuste leven van de ziel; Kai Fjell (1907-1989) ontwikkelde een vorm waarbij erotische thema's op symbolische wijze hun oorsprong vonden in het plattelandsleven; Arne Ekeland (1908-1994) werkte met sociaal-psychologische motieven, waarbij hij seksualiteit koppelde aan het klassenstelsel; de schilderijen van Harald Kihle (1905-1997) vormen een romantische reactie op industrialisme en de stedelijke samenleving; Agnes Hiorth (1899-1984) vertolkte nieuwe trends in landschappen en portretten en Erling Engers (1899-1990) presenteerde het plattelandsleven op een satirische manier, waarbij hij zich concentreerde op de kwaliteit van het landschap.


Bron: De tekst is opgesteld met toestemming van Visiting Arts op basis van de Norway Arts Directory (ISBN 19020349164 © 1999).  E-mail: information@visitingarts.org.uk   |   Delen op netwerk   |   print