Sverre Fehn (geboren in 1924) voltooide kort na de Tweede Wereldoorlog zijn architectenopleiding en werd al snel de meest vooraanstaande architect van Noorwegen van zijn generatie. Bovendien geniet hij van alle Noorse architecten de meeste internationale bekendheid.
Fehns leermeester, Arne Korsmo, had een belangrijke invloed op zijn vroege werk. Tijdens een reis naar Marokko in 1952-53, kwam Fehn in aanraking met de elementaire architectuur die de toon zou zetten voor zijn verdere ontwikkeling. Een jaar later, in Parijs, werkte en studeerde hij bij de belangrijke Franse architect Jean Prouve en raakte hij gefascineerd door het werk van Le Corbusier. Dankzij deze internationale invloeden wist hij de meest geavanceerde architectonische benaderingen van zijn tijd te verenigen met ongecompliceerde en populaire bouwstijlen.
Fehn en een collega, Geir Grung, braken in 1955 definitief door met hun modernistische bejaardentehuis in Økern, Oslo. Drie jaar daarvoor hadden Fehn en Grung, samen met zeven andere jonge architecten en Arne Korsmo PAGON (“Progressieve Architecten Groep, Oslo, Noorwegen”) opgericht, die zich toelegde op het promoten van moderne architectuur.
Op 34-jarige leeftijd verwierf Fehn internationale erkenning voor zijn ontwerp van het Noors Paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. In de jaren 1960 vervaardigde hij twee werkstukken die altijd hoogtepunten in zijn carrière zijn gebleven: het Scandinavische Paviljoen voor de Biënnale in Venetië en het Hedmark Museum in Hamar, Noorwegen. Het museum mag beschouwd worden als Fehns grootste prestatie. Het markeerde het moment waarop hij zich begon af te keren van het pure modernisme en de richting van meer persoonlijke architectonische creaties koos.
Van 1971 tot 1977 was Fehn getuige van de realisatie van zijn concept voor de Dovenschool Skådalen, met de vele gebouwen die discreet een plaats kregen in het glooiende terrein van Holmenkollåsen aan de noordkant van Oslo. Meer recentelijk ontwierp Fehn een serie zeer vermaarde musea in Noorwegen: het Noorse Gletsjermuseum (1991) in Fjærland, het Aukrust Centrum (1996) in Alvdal, het Ivar Aasen Centrum (2000) in Ørsta en het Noorse Museum voor Fotografie (2001) in Horten.
Bovendien heeft de architect een groot aantal particuliere woningen ontworpen, waaronder Villa Busk in Bamble, Noorwegen (1990), die kort na de voltooiing op de monumentenlijst werd geplaatst. Hij geniet ook algemene erkenning als ontwerper van zeer originele tentoonstellingen, bijvoorbeeld die over middeleeuwse kerkkunst in 1972 en een andere, de Chinese soldaten genaamd, met antieke terracottabeelden. Verder heeft hij zeer innovatieve werkstukken geleverd voor architectuurwedstrijden, waarbij hij vaak in de prijzen is gevallen. Helaas zijn slechts weinig winnende concepten gerealiseerd.
Het hoogste internationale eerbetoon kreeg de architect in 1997, toen hem zowel de Pritzker architectuurprijs als de gouden Heinrich Tessenow-medaille werd toegekend. Zijn conceptuele talenten worden gecompleteerd door een uitstekende tekenvaardigheid en een uniek en poëtisch uitdrukkingsvermogen. Hij was van 1975 tot 1995 hoogleraar aan de Hogeschool voor Architectuur in Oslo en is erelid van Noorse, Finse, Schotse, Britse en Amerikaanse architectuurverenigingen en instituten, evenals van de koninklijke academies van Kopenhagen en Zweden. In 1993 ontving hij de gouden medaille van de Franse Academie voor Architectuur en in 2001 werd hem als eerste de Grosch-medaille toegekend, een prijs die in het leven werd geroepen om het werk van de meest vruchtbare architect uit de periode van de opbouw van het land te gedenken. Bovendien is Sverre Fehn benoemd tot commandeur in de Koninklijke Noorse Orde van St. Olav.
Het meest recente werk van Fehn, het Noorse Architectuurmuseum, wordt in het voorjaar van 2007 geopend. Het museum is gehuisvest in een klassiek bankgebouw uit 1830, dat na een verbouwing is uitgebreid met een apart expositiepaviljoen.