Hedendaags architectuur

De periode na de Tweede Wereldoorlog werd gekenmerkt door de opkomst van een aantal gerenommeerde Noorse architecten, die de verdere 20e eeuw de architectuur in Noorwegen bleven beheersen. Inmiddels zijn de meesten van hen met pensioen gegaan of overleden en is een nieuwe generatie getalenteerde jonge architecten opgestaan, die zowel nationaal als internationaal veel erkenning vindt.

Tot de lijst van opmerkelijke jonge architecten behoren: Ivar Lunde en Morten Løvseth voor hun Noorse Oliemuseum in Stavanger (1999) en de bibliotheek van Tønsberg (1992), Kristin Jarmund voor het hoofdkantoor van de Noorse Metrologie- en IJkingsdienst in Kjeller (1997) en de Gulskogen School in Drammen (2001), Lund Hagem voor het gebouw van het Noorse Instituut voor onderzoek van gewassen in Ullensvang (1999), Stein Halvorsen en Christian Sundby voor het Sámediggi-gebouw (het Samische parlement) in Karasjok (2000), Jarmund en Vigsnes voor het gebouw van de Kustwacht in Kvitøy (1999), Reiulf Ramstad voor de Hogeschool Østfold in Halden (2004), Carl-Viggo Hølmebakk voor het mortuarium van het Asker Crematorium (2000) en Jan Olav Jensen en Børre Skodvin voor de Mortensrud kerk (2001) in Oslo.

Verder is er een aantal architectenbureaus dat het vermelden waard is. Sinds de Tweede Wereldoorlog is Lund & Slaatto hét toonaangevende bureau in Noorwegen. Het meest recente belangrijke project van deze firma (1998) is een glazen structuur met klimaatbeheersing, die de ruïnes van een middeleeuwse kathedraal in Hamar beschermt. Door de bezoekers wordt dit indrukwekkende glazen omhulsel op zich al als een heiligdom ervaren. De architectonische kunstwerken van Sverre Fehn hebben diverse generaties Noorse architecten beïnvloed en zijn wereldwijd enthousiast ontvangen (zie “Sverre Fehn”). Het nieuwe hoofdkantoor van luchtvaartmaatschappij SAS, voluit Scandinavian Airlines System, in Stockholm betekende de internationale doorbraak voor Niels Torp. Daarna ontwierp hij een nog groter complex, even buiten Londen, waar British Airways een nieuw onderkomen kreeg. Bovendien is Torp verantwoordelijk voor de meeste gebouwen van Aker Brygge, een project in een voormalig havengebied in het centrum van Oslo, dat hij heeft omgetoverd in een succesvol handels-, kantoren- en wooncomplex. Een ander architectenbureau dat internationale bekendheid heeft verworven is Snøhetta (zie “Noorse architectuur in de jaren 1990”). Het nieuwe operagebouw dat Snøhetta voor Oslo heeft ontworpen zal volgens de planning in 2008 gereed zijn.

De nieuwe opera zal verrijzen in Bjørvika, een aan het water gelegen wijk in het hart van de Noorse hoofdstad die momenteel gerenoveerd wordt. Ook andere gedeelten van de haven zijn bestemd voor nieuwe woonaccommodatie en binnenstadsontwikkeling. Hetzelfde geldt voor het gebied rond het voormalige station Oslo West. Verder zijn er plannen om in het centrum een groot museumcomplex te bouwen.

Een van de belangrijkste gebeurtenissen van de afgelopen jaren op architectonisch gebied was de opening van de nieuwe internationale luchthaven van Oslo in Gardermoen. Het terminalgebouw van hout, steen en glas (1999 door Aviaplan) heeft een eenvoudig, open ontwerp met geavanceerde details. Het is de poort tot Noorwegen en biedt een uitnodigend beginpunt voor luchtreizigers die het land bezoeken. De lay-out van de terminal, het wegennet, de aangrenzende hogesnelheidslijn en de diverse luchthavengebouwen – het zijn allemaal uitingen van de ambitie van Noorse architecten en ontwikkelaars om een hoogwaardige infrastructuur te ontwikkelen.


Bron: Bron: Het Noorse Architectuurmuseum   |   Delen op netwerk   |   print