De postmodernistische beweging van de jaren 1980 heeft nooit zo'n grote invloed gekregen als het functionalisme in de jaren 1930. Veel architecten beschouwden het postmodernisme als verraad ten opzichte van het modernisme en in Noorwegen heeft het in relatief weinig belangrijke architectonische kunstwerken geresulteerd.
Een belangrijk voorbeeld is echter de metamorfose van het doodgewone zeven verdiepingen tellende gebouw van de academische uitgeverij Universitetsforlaget in Oslo tot een speels, veelvormig universum (Jan Digerud en Jon Lundberg, 1980). Twee andere vermeldenswaardige postmoderne projecten – beide van de hand van Arne Henriksen, een architect van de Noorse staatsspoorwegen – zijn het Holmia Station, een klein station aan de spoorlijn naar een van de voorsteden van Oslo en de remise in Lodalen. Voor elk van deze gebouwen werd de meest prestigieuze Noorse architectuurprijs toegekend, het Certificaat voor voortreffelijke architectuur van de Anton Christian Houen Stichting, waardoor de postmoderne golf professionele erkenning kreeg.
Het postmodernisme kwam op als een protest tegen het vermeende gebrek aan expressie in het modernisme. Het gaf eigentijdse architecten een groter gevoel van vrijheid in hun zoektocht naar nieuwe richtingen. Toonaangevende architecten, zoals Lund & Slaatto, bleven structuralistische bouwwerken ontwerpen, maar in de jaren 1980 begonnen hun gebouwen meer variatie en expressieve details te vertonen. Hun nieuwe hoofdkantoor voor Norges Bank (1986), de centrale bank van Noorwegen, beslaat een volledig blok in het centrum van Oslo en weet harmonie te scheppen tussen nieuwe en oude gebouwen. De afmetingen van cultureel centrum Sølvberget in Stavanger (1987) zijn zo gekozen, dat het gebouw de omringende houten huizen als het ware complementeert. De St. Magnuskerk (1988) in Lillestrøm bestaat uit modulaire elementen met halfronde daken die een groot heiligdom vormen met aan elke kant een kapel. Een hedendaags gebouw, dat desondanks aansluit bij het traditionele concept van een kerk.