Geschiedenis

De energie van de Noorse watervallen werd al in de vroege middeleeuwen benut om molenraderen te laten draaien. Het begin van de elektrificatie aan het eind van de negentiende eeuw maakte het mogelijk de overvloed aan waterwegen te gaan gebruiken als energiebron voor fabrieken die verder van de waterbron waren verwijderd. En zo heeft waterkracht de basis gelegd voor de industrialisatie van Noorwegen.

Aan het begin van de twintigste eeuw vergemakkelijkte waterkracht het opzetten van energie-intensieve industrie door ondernemingen als Norsk Hydro, dat kunstmest produceerde. Na de Tweede Wereldoorlog namen energie-intensieve takken van industrie zoals aluminiumproductie en de elektrochemische en elektrometallurgische industrie in Noorwegen een hoge vlucht als onderdeel van de wederopbouw van Europa. De periodes 1910-1925 en 1960-1985 markeren de meest intensieve ontwikkelingsfases van de waterkrachtindustrie.

Noorwegen stapte aan het eind van de jaren 60 van de vorige eeuw het olietijdperk binnen en het werd in 1975 een netto-exporteur van olie en gas. Hoewel het belang van aardgas toeneemt, is olie nog steeds de belangrijkste grondstof in de energiesector.

De oliecrisis van 1973 leidde tot een nieuwe internationale belangstelling voor duurzame energiebronnen, zowel als geldbesparende maatregel als uit betrokkenheid bij het milieu. Nieuwe, in Noorwegen ontwikkelde vormen van duurzame energie waren golfenergie, windenergie, warmtepompen en nieuwe vormen van bio-energie, zoals verschillende soorten biomassa voor de warmteproductie en biologische brandstoffen (bio-ethanol en biodiesel). Bio-energie vormt de oudste energiebron in Noorwegen en brandhout doet ook nu nog dienst als een van de belangrijkste bronnen van energie voor verwarmingsdoeleinden.

Voor de Tweede Wereldoorlog had een vijfde deel van de Noorse bevolking geen elektriciteit en in 1938 werd er een systeem van staatssteun opgezet. Na afloop van de oorlog werd dit systeem in ere hersteld om alle huishoudens op het vasteland van Noorwegen toegang te geven tot het elektriciteitsnet.

Het ontwikkelen van waterhulpbronnen moet altijd door de centrale overheid worden gefiatteerd. Het Storting (het Noorse parlement), de regering, het Ministerie van Olie en Energie en het Noorse Directoraat voor Waterhulpbronnen en Energie (NVE) zijn formeel verantwoordelijk voor het administreren van vergunningsrondes voor waterkrachtcentrales. Grootschalige of controversiële projecten worden gewoonlijk voorgelegd aan het Storting.

De opbouw van de sector energievoorziening weerspiegelt de wijze waarop het systeem zich in de loop der tijden heeft ontwikkeld. Krachtcentrales en eigenaren kregen een lokale verankering met als doel energie te leveren aan de opkomende industrie, elektriciteit te brengen naar lokale regio’s en goedkopere elektriciteit te leveren door middel van transportkabels. Dit heeft geresulteerd in een grote verscheidenheid aan nutsbedrijven met een uiteenlopende bedrijfsmatige opzet, deels eigendom van de lokale private sector en deels van de publieke sector, op gemeentelijk, provinciaal en/of landelijk niveau. Deze bontgeschakeerde structuur is tot op de dag van vandaag zichtbaar.


Bron: Bewerking van de Noorse encyclopedie van Aschehoug en Gyldendal / Asbjørn Vinjar   |   Delen op netwerk   |   print